\require{AMSmath}
WisFaq - de digitale vraagbaak voor wiskunde en wiskunde onderwijs


Printen

Re: Welke statistische toets kan ik het beste gebruiken?

 Dit is een reactie op vraag 27170 
Ik heb net even je antwoord goed doorgelezen en geprobeerd met de resultaten. Nu vroeg ik mij nog een paar dingen af...

Alvast weer erg bedankt!
Marjanneke

Marjan
Leerling bovenbouw havo-vwo - zondag 12 september 2004

Antwoord

Kan ik ook per tweeling zeggen of ze afwijken of niet, of is het beter om iets over het gemiddelde te zeggen.
Over individuele tweelingen iets zeggen is niet verstandig. Als onderzoeker ben je geinteresseerd in de algemene kenmerken van een groep en niet in individuele afwijkingen.

De grens van het kritiek gebied snap ik niet zo goed, wat bereken je dan precies en waar staat het tekentje Z voor? Waar haal je die waarde vandaan?
De toets die ik gebruik is een toets voor een gemiddelde of een gewone toets voor m. Wellicht kun je die vinden in de stof van VWO A1 deel 3 Hfdst. S6 Moderne wiskunde. Het zit in ieder geval wel in je programma. Het kan zijn dat ik de toets iets anders toepas dan je gewend bent. Je docent moet dat wel kunnen doorzien. Die z waarde komt uit een standaard normale verdeling (95% betrouwbaarheid eenzijdig). Die waarde is 1,645

Je schreef dat als je doordenkt het verschil gemiddeld minstens 4,9 IQ punten bedraagt, waar haal je dat vandaan?
Je verwerpt al bij een verschilvan 7,4. Het waargenomen verschil is 12,3 dus 4,9 hoger dan het minimaal benodigde verschil. Ik geef toe dat is wat getruct.

Je schreef ook dat ik eigelijk niet met zekerheid kan zeggen of het aan de eeneiige tweelingen ligt dat het verschil kleiner is. Heeft het dan bijv zin om ook tweeeiige tweelingen te testen? Ik heb nu 3 tweelingen getest, maar zoek nog steeds meeerdere omdat ik in eerste instantie ook tweeeiige moest testen van de begeleider.
Een kleiner verschil kan namelijk ook ontstaan doordat de tweelingen dezelfde opvoeding hebben gehad. Het hoeft dan niet aan die eeneiige tweelingen te liggen. De opvoeding kan ook de doorslaggevende factor zijn.
Om dat te onderzoeken kan je als referentiegroep ook een aantal tweeeiige tweelingen nemen. Maar wat mij betreft mag je ook broers/zussen nemen die niet al te veel in leeftijd verschillen. Bij broers en zussen in de schoolleeftijd moeten ze dan wel liefst hetzelfde aantal jaren onderwijs hebben gehad. Je krijgt dan wel een andere toets om de twee groepen (eeneiige tweelingen en broers/zussen) te vergelijken. Deze toets is dan zeker niet moeilijker dan de hierboven uitgevoerde toets. Wanneer je de mogelijkheid hebt moet je dat eigenlijk ook gewoon maar doen.

Dat zijn heel wat vragen, ik hoop dat het een beetje duidelijk is.
Yep

Met vriendelijke groet

JaDeX


maandag 13 september 2004

©2001-2024 WisFaq